Interview met Rewire en Le Guess Who? (2018)

Het experiment durven programmeren

Door sterk gestegen kosten zijn muziekpodia geneigd steeds veiliger te programmeren. Waar vroeger plaats was voor het onbekende en afwijkende worden bands nu vooral geboekt op basis van voorspelde kaartverkoop. Dit leidt tot het recyclen van bewezen succes. Wie echt iets nieuws wil horen, moet tegenwoordig bij de festivals zijn. Die slagen er wel in publiek te trekken met programmering die niet door algoritmen is ingegeven.

Jaïr Tchong (geschreven voor Kunsten 92, 2018)

Voor wie begrijpen wil hoe het met waardebepaling in de muzieksector zit, verscheen er begin dit jaar de inzichtrijke biografie over Willem Venema. Deze flamboyante boeker mag gerust worden opgenomen in het pantheon van culturele helden waartoe ook voormalig Stedelijk Museum-directeur Willem Sandberg en IFFR-oprichter Hubert Bals behoren. NRC-journalist Yaël Vinckx tekent bij monde van Venema de geschiedenis van het Nederlandse popzalencircuit op, hoe dat van sociaal-cultureel jongerencentrum (‘soos’) in de jaren zeventig zich ontwikkelde tot het professionele zalencircuit van tegenwoordig.

Venema’s leven heeft veel weg van een jongensboek met een ietwat melancholiek slot. Die vooruitstrevendheid en energie van de poppodia, waarvan Venema destijds gold als ‘keizer’, heeft zich inmiddels grotendeels verplaatst naar festivals. Een enigszins ironische ontwikkeling, want de Nederlandse overheid heeft de afgelopen decennia overal technisch perfect geoutilleerde concertzalen en cultuurcomplexen gebouwd – tot in de kleinste steden. Dit terwijl de festivalbezoeker juist liever de natuur in gaat, of ongebruikelijke locaties opzoekt.

Deze ontwikkeling werd aangewakkerd door een professionaliseringsslag bij de podia, waarmee strengere rendementseisen hun intrede deden. In wat nu wordt gezien als de gouden tijd van de clubs, werden veel functies nog ingeschaald als werkervaringstraject of vrijwilligerswerk. Nieuwe, betaalde functies en dure nieuwbouw joegen de exploitatiekosten omhoog. Dit terwijl digitalisering van de bedrijfsvoering scherper dan voorheen ‘risicovolle programmering’ in de jaarcijfers zichtbaar maakte. Tegelijkertijd begonnen de festivals aan hun onstuimige opmars.

Binnen de festivals kun je grofweg onderscheid maken tussen evenementen met een autonome programmering en festivals waarbij vooral de belangen van het organiserend agentschap vooropstaan. Aan de andere kant van het spectrum heb je een grotendeels gesubsidieerd festival als de Zomer Jazz Fiets Tour. Voor beiden geldt echter dat een festival eenvoudiger publiek kan interesseren voor experimentele concerten, omdat bezoekers een kaartje kopen voor het geheel en niet voor afzonderlijke concerten. Avant-garde is lastig te boeken in een stenen zaal waarin de teller voor huur en personeel gaat lopen zodra je de musici hebt geboekt. Het succes van de festivals komt zeker ook voort uit deze fundamentele werkelijkheid, hoewel het ook te maken heeft met het strakker op de wind varen van de gedreven artistieke festivalprogrammeurs. Niet alles laat zich in een xcelsheet uitdrukken.

Hybride kunstenaarspraktijk

Twee festivals die internationaal en nationaal naam hebben gemaakt met een eigenzinnige muzikale koers en een zekere onafhankelijkheid zijn het Utrechtse Le Guess Who? en het Haagse Rewire. Laatstgenoemde festival komt voort uit het laagdrempelige festival voor muziek en beeldende kunst dat Bronne Keesmaat vanaf 2009 organiseerde voor Villa Nuts. De eerste edities van Rewire vonden plaats aan de rand van Den Haag in broedplaatsen. Inmiddels is het festival dat plaatsvindt in april een gekende waarde in de hele Haagse binnenstad en ver daarbuiten.

Een belangrijk jaar was 2014, toen de focus in de programmering werd verlegd van muziek en beeldende kunst naar alleen muziek en geluidskunst. “Er is al een bloeiende beeldende kunstsector in Den Haag, daar hadden we te weinig aan toe te voegen”, vertelt Keesmaat. “Deze keuze heeft geleid tot meer focus en specialisme. Toch blijft Rewire een muziekfestival dat openstaat voor nieuwe mengvormen en crossovers stimuleert met andere kunstdiscipline. Het leggen van verbanden tussen muziek, beeldende kunst, film of andere kunstvormen is inherent aan de actuele hybride kunstenaarspraktijk.”

“De kern van onze programmering richt zich op de artistieke voorhoede. We bieden een podium aan vooruitstrevende makers die buiten hun comfortzone durven te treden. Daarnaast presenteren we concerten binnen een bepaald focus- of contextprogramma en bieden daar ook een contextprogramma bij. We nodigen schrijvers uit om essays te schrijven over de thema’s die we uitlichten. Dat biedt het publiek een andere kijk op actuele ontwikkelingen.”

De programmering die weinig commerciële concessies doet en door sommigen ‘moeilijk’ genoemd wordt, blijkt niet af te schrikken. De bezoekers van de afgelopen editie kwamen uit meer dan veertig landen. “Dat internationale profiel begint met een sterk programma, niet met marketing”, stelt Keesmaat. “Veel festivals bieden vooral het touraanbod van het seizoen aan, maar wij zijn vanaf het begin zelf sturend geweest bij de programmering: bijzondere projecten hebben de voorkeur. Inmiddels helpt onze reputatie ook: steeds meer artiesten willen nu de premières van nieuwe projecten tijdens Rewire presenteren. Sinds 2016 werden er iedere editie vijf voorstellingen in opdracht gerealiseerd. Hier kwamen onder andere nieuwe performances uit voort van Daniel Wohl met Slagwerk Den Haag en Matangi Quartet. Ons onderscheidende aanbod vindt vaak later zijn weg naar diverse Europese podia.”

Geen Spotify-playlist

“Het grootste verschil met het vroegere livecircuit is dat het publiek veel meer kennis tot zijn beschikking heeft. Niet alleen door social media, maar ook streaming services als Spotify en Bandcamp. Het platenwinkelaanbod van weleer was beperkter. Artiesten worden misschien niet financieel beter van, zeker niet aan de onderkant van de ladder, maar je kan wel veel meer mensen bereiken. Het gecureerde gedeelte binnen die streamingservices wordt ook steeds beter. De voordelen van digitalisering zijn vooral evident voor artiesten uit niet-westerse landen, die nu veel makkelijker kunnen worden opgepikt en vervolgens toeren.”

De scepsis die over de almacht van Facebook en soortgelijke partijen recent is opgelaaid is ook ten burele van Rewire onderwerp van gesprek. “Ieder jaar moet je steeds meer betalen om hetzelfde resultaat te krijgen. We investeren niet in het verkrijgen van likes omdat het helemaal niet efficiënt is. Vijftigduizend likes staat misschien mooi naar de sponsors toe, maar je moet juist investeren in de inhoud. Ik vraag me wel af wat het alternatief is. Kunnen we nog wel terug en zo ja, hoe ziet dat er dan uit?”

Toch ziet Keesmaat meer voordelen dan nadelen van de digitalisering van de muziekindustrie. “Het belangrijkste effect is dat mensen zich veel makkelijker kunnen wenden tot onbekende muziekgenres. Via referenties kun je vanuit pop makkelijker dan ooit bij jazz of hedendaags klassiek belanden. Dat is wel echt winst, en voor de programmering van Rewire heel fijn. Uiteindelijk wordt die hele genrebestempeling ook steeds meer iets van het verleden.”

“Begin deze eeuw kwamen er nog veel nieuwe genres bij, veelal voortgestuwd door de clubcultuur. Maar dat zie je veel minder nu, je ziet veel meer versnippering en cross-overs, en een teruggrijpen op oude stijlen. Wat wij willen met Rewire is niet die algoritmische Spotify-playlist zijn, maar juist actief en kritisch cureren, en verbanden leggen met maatschappelijke ontwikkelingen. Qua diversiteit hebben we altijd een sterk vrouwelijk aandeel gehad in het programma, maar dat is niet van tevoren zo bedacht. Het kwam vanzelf omdat we in de alternatieve pop de blanke witte man vaak niet zo interessant meer vonden.”

Programmeren uit de onderbuik

“Ik begon een festival omdat je hiermee bezoekers kan enthousiasmeren voor avontuurlijkere programmering”, vertelt Johan Gijsen, die in 2007 samen met boekingsagent Bob van Heur Le Guess Who? opzette en nog steeds directeur is. “De laatste vijftien jaar is de macht van de programmeur om een verhaallijn te vertellen kleiner geworden. Daar zie ik een gevaar in, het resultaat is dat er steeds voorspelbaarder geprogrammeerd wordt. De buitenlandse grote agentschappen hebben veel macht over wat er in de zalen staat.”

“De reden dat wij met Le Guess Who? begonnen was passie voor muzikanten met een vernieuwingsdrang en een drive om hier nieuw publiek mee te bereiken. Bij de eerste editie traden er elf bands op in twee avonden, we hadden driehonderd man publiek per avond. Inmiddels hebben we 32 nationaliteiten op het podium en verkopen we kaarten aan bezoekers die uit 58 landen komen.”

Gijsen deelt de waardering voor de gouden tijd van het clubcircuit. Toen hij in 2000 begon bij Tivoli was de omschakeling naar betaalde functies net afgerond. “Met de fair practice code is het nu beter geregeld voor personeel”, vindt hij. “En er zijn nog steeds podia die zich sterk profileren met specifieke, niet-mainstream programmering. De A-podia zijn inderdaad dichterbij elkaar komen te staan qua inhoud. Het clubcircuit bestaat uit allemaal stichtingen die niet op winst zijn gericht, maar om de exploitatie te kunnen dichten is het commerciële belang wel groter geworden. Daar is niks mis mee, maar het gevaar is wel dat er een monocultuur dreigt te ontstaan. Met Le Guess Who? bieden we een tegengeluid.”

Gijsen verzet zich ook tegen het idee dat een muziekevenement alleen levensvatbaar zou zijn als er een degelijke kosten-batenanalyse op wordt losgelaten en er geprogrammeerd wordt op basis van gegarandeerd succes. “Muziek is emotie en die presenteer je vaak vanuit een onderbuikgevoel. Wij laten onze oren spreken. Dat hele algoritmeverhaal van tegenwoordig: ik heb daar niet zoveel mee. Media zijn nu veel meer bezig om een bepaald publiek te bereiken, die draaien grotendeels mee in dat systeem. Maar dat is ook een reden voor het succes van Le Guess Who? en Rewire. Wij bieden avontuurlijke en eigenzinnige muziek terwijl we toch gezonde ticketinkomsten behalen. Ik ben ervan overtuigd dat ons publiek komt voor onze afwijkende selectie, niet zozeer voor de grote namen, die we trouwens steeds minder boeken.”

In plaats van bewezen publieksfavorieten probeert Gijsen festivalgangers te enthousiasmeren voor muzieksoorten en bands die buiten hun comfortzone liggen. “Freejazz en modern gecomponeerd krijgen tegenwoordig prominente plekken op Le Guess Who? Weg met het hokjesdenken! We blijven weliswaar popjongens, we gebruiken de dynamiek van de pop. Maar verder kan het nu alle kanten uitgaan.”

Verwondering en inspiratie

Veel onconventionele, gewaagde programmakeuzes van Le Guess Who? kregen een vervolg op de Europese podia en festivals. Zo werden de zangeressen Annette Peacock en Elza Soares na hun optredens in Utrecht uitgenodigd door het gerenommeerde Spaanse popfestival Primavera. Dit gold ook voor de Turkse zangeres Selda. Zij trad onlangs op tijdens het International Literature Festival in Utrecht. Na het optreden van het Bulgaars koor Le Mystère des Voix Bulgares op Le Guess Who? werd het gezelschap uitgenodigd voor het Off Festival in Polen en Ancienne Belgique in Brussel. Dit laatstgenoemde Belgische podium heeft, geïnspireerd door de avontuurlijke programmering van Le Guess Who?, haar artistieke beleid aangepast. De avontuurlijke durf van Gijsen en zijn team heeft dus flink wat spin-off.

Voor sommige in Nederland onbekende bands regelt Le Guess Who? zelf de tournee, om een optreden op het festival mogelijk te maken. “Vanuit de pop ben ik opgegroeid met publieksbereik als centrale waarde. De Engelse term van programmeur is local promotor; dat zegt veel. Als de zaal leeg is, moet ik mij als programmeur verantwoorden. In al mijn keuzes heb ik me met publiek bezig gehouden. Als je dus nieuwe dingen wilt presenteren ga je eerst nadenken hoe je die zaal vol krijgt en bedenk je nieuwe contexten.”

“Ik ben me ervan bewust dat we een gigantisch buitenlands publiek hebben van vooral doorgewinterde muziekliefhebbers. Ik vind zelf dat wij bijvoorbeeld jazz- en improdrummer Han Bennink heel laagdrempelig presenteren, maar als ik dat vergelijk met mainstream muziek besef ik dat het elitair blijft. Ik hoor nu soms uit de popachterban dat we te serieus zijn. Dat is misschien zo. We zijn niet gericht op entertainment, maar op verwondering en inspiratie. Voor de klassieke wereld en de jazz zijn we juist enorm laagdrempelig en bereiken we nieuw en jong publiek.”

Programmeren via algoritmen blijft ondenkbaar voor Gijsen. “Ik geloof dat het bij de publieke omroep ook heeft meegespeeld. Sinds radioprogramma’s precies meten wie de luisteraars zijn en wat zij willen horen, hebben zij zich daarop aangepast en hebben ze juist publiek verloren.”

Manoeuvreerruimte

Festivals als Le Guess Who? en Rewire zijn een succes vanwege een experimenteerdrang die zich onttrekt aan commerciële wetmatigheden en voorspellingsmodellen. Wat bij festivals werkt moet volgens Gijsen en Keesmaat ook kunnen werken bij podia. Mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. “Financiële ruimte is nodig en bezoekersaantallen moeten niet per se heilig zijn”, stelt Keesmaat. “Daarnaast moet diversiteit worden gestimuleerd, niet alleen in de programmering, maar ook op het vlak van personeel en programmeurs. Ik ben er van overtuigd dat diversiteit de vooruitgang voedt.”

“Voor iedere podium zou een budgetvrije ruimte gereserveerd moeten worden, waarbij de zaal de kans heeft om nieuwe dingen of eigen smoel te ontwikkelen”, voegt Gijsen toe. “Ik heb met Le Guess Who? gemerkt dat je gewoon een lange adem nodig hebt. Programmavernieuwing kun je niet in een seizoen of twee met excel sheets afrekenen boven de streep. Dat heeft investeringen nodig. Het kan zijn dat de helft sneuvelt, maar de helft die wel slaagt zal bestaan uit bijzondere unieke projecten waar Nederland gelukkiger van wordt.”

Schaalvergroting is niet de panacee, zoveel is duidelijk. Gijsen: “In het pop- en festivallandschap is groter niet altijd beter. Er moet meer op het belang van de complete infrastructuur worden gelet. Hoe groter de zaal, hoe minder invloed je daarop hebt als programmeur of zaaleigenaar, je wordt voor een groot gedeelte overgenomen door agentschappen. Die bepalen of een band op een Amsterdams of Utrechts podia staat. Je wordt als programmeur beperkt in je artistieke keuzes.”

In dit tijdperk van oppermachtige festivals en agentschappen wordt de artistieke autonomie zwaar bevochten. In het eerder genoemde boek over ‘oerboeker’ Willem Venema staat hierover een heldere passage: “Is het [organiseren van concerten] eerst nog een hobby, al snel wordt het een business, compleet met weekplanners en jaaroverzichten en niet lang daarna is het een miljoenenindustrie, waar [Venema] voor concertorganisator Mojo op één dag zeshonderdduizend euro verdient in het Goffertpark in Nijmegen, waar Coldplay en Live optreden, maar waar hij de volgende dag op kantoor wordt weggehoond omdat een collega drie dagen daarvoor achthonderdduizend euro heeft binnengebracht, met het Arrow Classic Rockfestival.” Binnen dit krachtenveld is de manoeuvreerruimte vooral door autonome programmeurs als Keesmaat en Gijsen te vinden.

Plaats een reactie