
Vanmorgen hadden we bij KAAP Oostende auteur Persis Bekkering te gast. Ze werd door een schrandere Vice-redacteur geïnterviewd naar aanleiding van haar roman Exces (Prometheus, 2021). Even bondig als eerlijk was het gesprek en ineens moest ik denken aan een journalistiek plannetje dat ik jaren geleden zowaar tot uitvoering heb gebracht. Ik schreef toen voor Het Parool en frequenteerde de randstedelijke jazz-, impro- en worldmusic-biotopen. Hoewel ik vaak genoot (en daarvan midden in de nacht recensies tikte voor de avondkrant van de dag daarop) had ik er op een gegeven moment wel een beetje genoeg van. Te verkeren tussen liefhebbers en kenners is fijn, maar ik stelde mezelf de vraag: wat is nu eigenlijk de grootste muzikale subcultuur van Nederland? Waar geniet iedere Nederlander van, ieder weekend? Mijn toenmalige kunstchef Jhim Lamoree (blessed be his name, zelden zo’n inspirerend figuur meegemaakt op een krantenredactie) zei meteen ‘JA!’ toen ik hem voorstelde om een jaar lang een aantal grote dancefestivals in een recensiereeks te beschrijven.
Mijn broer speelde hierin zeker een rol. Die was toen regelmatig in de (toenmalige? bestaat het nog?) Power Zone te vinden, nabij Amsterdam Amstel. Hij had me met zijn toenmalige vriendin eens meegenomen en zelden heb ik zo’n geweldige dance ervaring meegemaakt als toen die nacht. We hebben gedanst tot 6u ’s ochtends en bij het ochtendgloren herinner ik me nog scherp een heerlijke fietstocht, terug naar huis in Amsterdam Oud-West. Beelden van die avond zijn in mijn ziel gekerfd. Als ik me niet vergis heb ik zelfs op een podium staan dansen, terwijl een paar meter verderop een vrouw op haar eigen minipodium aan het dansen was en we hadden contact, allebei geheel in de groove. Zalig!
Als freelance cultuurjournalist besloot ik dus, aangemoedigd door Lamoree (overigens heeft deze held door middel van diepgravend onderzoek de zeer onthullende documenten boven tafel gekregen rondom de schandalige nep-restauratie van Barnett Newman’s ‘Who’s afraid of Red, Yellow and Blue’ door een New Yorkse fraudeur, vandaar dat ik Lamoree zo hoog acht. Hij was ook degene die altijd riep tegen zijn redacteuren: ‘maak nou eens nieuws als kunstredacteur, in plaats van slaafs de agenda’s te volgen van de uitgevers, platenmaatschappijen en concertzalen!’), om een plan de campagne te maken. Ik koos ervoor om te beginnen bij Def Con One, een ‘hardstyle’ dancefestival op het strand van Almere in mei, overigens vernoemd naar de militaire term uit het Amerikaanse leger ‘defense condition one’ (nomen est omen), om te eindigen bij Inner City in de RAI, in december van dat jaar.
De stukken moet ik nog wel ergens hebben liggen op vergeeld krantenpapier, maar een tijdje terug toen ik door die oude stukken aan het scharrelen was vond ik het allemaal tezeer verouderd en tezeer geschreven voor de kattenbak van morgen (zoals het cliché voor krantenjournalistiek luidt) voor herpublicatie op een fancy digitaal medium zoals wordpress. Wat me vooral bijbleef, en daar moet ik nu toch sterk aan denken door dat mooie auteursgesprek met Bekkering in KAAP Oostende, is dit: ik heb (geloof ik) een stuk of vier artikelen toen geschreven in die reeks. Allemaal nuchter, op 1 na. Een artikel schreef ik onder invloed van XTC. En drie keer raden welk stuk mijn toenmalige eindredacteur (een zeer kritisch Neerlandicus met feilloos stijl- en taalgevoel) het beste vond?
Er zit iets magisch in dancecultuur, en het is Persis die me dit op een stralende zondagmorgen in Oostende deed beseffen: het feit dat de dancecultuur al twee jaar lang zieltogend op zijn rug ligt is werkelijk een groot en niet te bevatten drama. Ik ga straks thuis heel hard Voodoo Ray van A Guy Called Gerald draaien, en er het beste van maken, solo in Oostende.
Plaats een reactie